‘Biodiversiteit’ ontstond door minderwaardigheids-complex ecologen

Stamvader van de Ecologie, mijn nieuwste aanwinst!

De eerste keer dat ‘biologische diversiteit’ op schrift verscheen in 1977 dankzij Thomas Lovejoy van Wereld Natuur Fonds, zag het er direct duister uit. Twintig procent van alle ‘soorten’ zouden uitsterven voor het jaar 2000, tot wel bijna 2 miljoen ‘soorten’. Dat zou meer zijn dan de wetenschap tot nu toe beschreef.

Het blijkt dan ook dat je ‘soorten’ en soorten hebt. Namelijk soorten die echt bestaan. En ‘niet door wetenschap beschreven’ soorten, die leven in de natte vinger van een ecoloog en zijn moeras van aannames.

Tot de dag van vandaag zie je ‘biodiversiteit’ uitsluitend verschijnen in alarmerende context. Zoals bij het Planbureau voor de Leefomgeving, dat riep hoe nog 15 procent van de Nederlandse ‘biodiversiteit over zou zijn, wat de Partij voor de Dieren overal papegaait maar ook Rick Grashoff van Groen Links.

Daarbij staat ‘landoppervlak dat bos en natuur heet’ gelijk aan ‘biodiversiteit’, zo blijkt als je via WOB-verzoek de gegevens opvraagt bij PBL: want omdat PBL wist dat ze wetenschappelijk smoelen, wilden Rob Alkemade en consorten dat niet vrijwillig geven.

Sjoemelnatuur, bij PBL is ‘biodiversiteit’ gelijk aan ‘landoppervlak dat bos en natuur heet’, volgens een simpele SAR

Die zelfde simpele aanname maar dan in soms ingewikkeld ogende grafieken en formules verpakt, vormt de basis van 1 van de belangrijkste ecologen-theorieen: de zogenaamde Species Area Relationships (SAR), de Siamese Tweeling van Biodiversiteit omdat het gaat over aantallen soorten per oppervlakte-eenheid. ‘Diversiteit’ zo je wilt.

De SAR is het onderwerp van vandaag in een meer pittige wetenschaps-historisch verhaal.

Vroegere ecologen bedreven vooral registrerende en beschrijvende wetenschap, geen ‘voorspellende’

Minderwaardigheids-complex als beschrijvende wetenschap
Ecologen zijn de sociaal psychologen van de natuurwetenschap, waarop afgelopen eeuw steeds meer werd neergekeken. Omdat ze maar wat soortjes zouden beschrijven en tekenen. Terwijl de natuurkunde de ene natuurwet na de ander met economisch nut genereerde: zoals de radiologie die Röntgen-apparaten levert voor de medische wetenschap, de chemie die ons kunstmest gaf en dus vruchtbaarder landbouwgrond.

De uitvinder van het woord ‘ecologie’ als ‘huishouden van de natuur’ – Ernst Haeckel (+ 1919) tekende in het begin van zijn carriere overigens zeer verdienstelijk.

Van deze ‘Duitse Darwin’, Aartsvader Haekel tikte ik gisteren in Wageningen dit prachtige boek op de kop, uitgegeven door Tasschen: met dank aan een gulle donateur. Haeckel lijkt een erfgenaam van de meesterlijke tekeningen van Maria Sybilla Merian, die 1717 in Amsterdam overleed.

De heruitgave van haar tekeningen met hulp van de Koninklijke Bibliotheek moet ik ook nog aanschaffen.

Al 1,5 eeuwen voor Haeckel was getalenteerd tekenaar Maria Sybille Merian ‘m voor, ze reisde zelfs naar Suriname

Nu eerst terug naar ecologen die met een te soft Beta-piemeltje kampen, terwijl ze opkeken naar de keiharde wetenschappen die voorspellen konden.

Met de wetten van Newton kan je op de meter nauwkeurig een man op de maan zetten, en een satelliet precies in de juiste baan rond de aarde krijgen. Maar ecologen, wat hadden die nu voor natuurwetten waarmee ze tot de meter een soort zijn doen en laten voorspellen?

Natuurlijk had je al wat wiskundige vergelijkingen van Lotka en Volterra (de bekende prooi-roofdier-diagrammen). Maar met name de natuurbeschermers zochten manieren om zaken die ze ‘intuitief’ wel voelden met wiskunde meer ‘hard’ te maken. Bijvoorbeeld dat je kunt verklaren waarom in welk gebied hoeveel soorten kunnen leven.

De poging van ecologen een voorspellende wetenschap te zijn…

Soft Science zoekt harde natuurwet
Dus bedachten ze ook allerlei ‘harde’ natuurwetten, en de SAR is daar de (politiek) meest invloedrijke van. Want dankzij de SAR kwam ook het begrip ‘biodiversiteit’ in zwang als Siamese Tweeling van ‘hoeveel soorten er zijn per hectare’. Dit dankzij ‘Mr Biodiversity EO Wilson. Plots meende men te kunnen voorspellen, hoeveel soorten zouden overblijven, als je een X oppervlak gebied omzet in iets anders.

Net als echte wetenschappers! Het ‘huishouden’ van de natuur was al door Arthur Tansley (1934) omgedoopt in een systeem, het ecosysteem. En nu kwamen daar wiskundige formules bij de biologen, die voorheen vooral nauwgezet de natuurlijke historie optekenden.

Je kapt bijvoorbeeld een bos, en laat er vervolgens koeien grazen. Gewapend met de SAR meenden ecologen vervolgens te kunnen voorspellen, hoeveel soorten zouden verdwijnen. Dat is de zogenaamde ‘oppervlakte-afhankelijke extinctie’.

Veruit de mooiste biodiversiteit die ik dit jaar tegenkwam

Wilson is 1 van de twee of eigenlijk 3 Amerikaanse biologen die aan de basis staat van het vrij vanzelfsprekende idee, dat een groter landoppervlak meer soorten zal bevatten. Frank Preston is daarvan de eerste. Die stelde in 1948 al vast, dat wijd verspreide soorten ook lokaal (dus in een kleiner gebied) het meest algemeen zijn.

Maar een paar soorten in een gebied zijn echt algemeen, de rest hangt er wat lafjes bij. Je kunt die soort-distributie dan weergeven met een zogenaamde Bel-grafiek, bell-curve.

Van Preston komt de meest bekende logaritmische SAR-functie uit 1962 die nog steeds gebruikt wordt:

Een logaritmisch verband tussen de hoeveelheid soorten (S) en oppervlak.(A)  Daarbij bepaalt de z-exponent de steilheid van de curve.  

Een Meester-Z
Verwant aan het werk van Preston is vervolgens dat van Robert Mc Arthur en EO Wilson in Evolution in 1963.

Zij geloofden een hard verband te formuleren tussen de grootte van een eiland, en het aantal soorten dat daar leeft volgens ‘oppervlakte-afhankelijke extinctie’. Uitsterven van een soort is normaal, maar er komen ook steeds weer nieuwe soorten bij uit aangrenzend gebied door immigratie.

Tussen komen- en gaan zou dan een evenwicht bestaan, afhankelijk van de grootte van een eiland. En afhankelijk van de afstand tot een grotere landmassa, dat je als soorten-reservoir kunt zien.

Zij baseerden hun formules op data die Nederlandse biologen verzamelden nadat Krakatau (Indonesie) in 1886 was uitgebarsten. Hoe snel zou hervestiging van soorten verlopen, en welke soorten handhaafden zich.

Species Area Relationship gekoppeld aan eilandgrootte en de tijd…

In 1968 formuleerden Mc Arthur en Wilson hun Eilandtheorie, precies 50 jaar geleden. Die theorie kwam ook aan de basis kwam te staan van het Nederlandse natuurbeleid via de Ecologische Hoofdstructuur en haar ‘verbindingszones’.

Basis van die theorie is dus een SAR, het geloof in een dynamisch evenwicht (op logaritmische schaal) tussen de hoeveelheid soorten die ergens KUNNEN leven en het oppervlak.

  • De Z-exponent stelden zij, die ligt dan meestal tussen 0,15 en 0,35.

De meest door ecologen gebruikte Z-waarde bij doem-voorspellingen over ‘biodiversiteit’ (zoals bij klimaat-projecties van soort-uitsterven) is nog steeds die Z van 0,25. Hun vuistregel werd dan op basis van die Z (0,25)-waarde: bij een vertienvoudiging in oppervlakte, kan er een dubbele hoeveelheid soorten leven.

Dus kun je ook omgekeerd stellen met die SAR: als je een gebieds-oppervlakte 10 maal kleiner maakt, kan daar nog maar de helft van het aantal soorten leven. Die SAR- vuistregel is de basis van de meeste alarmerende projecties waarin miljoenen soorten van de aardbol verdwijnen.

1977: Het eerste verschijnen van ‘biologische diversiteit’ is in politieke context, niet een wetenschappelijke

20% van alle soorten verdwijnt voor 2000 (…)
Maken we nu een tijdsprongetje. De Eiland-theoretici raakten zeer nauw verweven met milieuclubs als het in 1962 opgerichte WWF.

Die clubs hebben als doel zoveel mogelijk landoppervlak onder hun hoede te brengen, via Staatsdwang, subsidie en loterijgelden. Plots met de SAR hebben ze daar een ‘wetenschappelijk’ argument voor, dat de politieke waarde en status aanmerkelijk vergroot.

En zo ontstond de Conservation Biology in Amerika rond 1980, dankzij pupillen van de Malthusiaanse ecoloog Paul Erhlich. Zoals Michael Soule, later Gretchen Daily, maar ook Norman Myers, Thomas Lovejoy en EO Wilson.

In 1986 hield die club in Washington hun First World Symposium on BioDiversity, co-gefinancierd door het WWF. Toen ontstond dus het neologisme ‘biodiversiteit’, een samentrekking van het door Thomas Lovejoy van WWF al in 1977 ontworpen ‘biologische diversiteit’ voor de Amerikaanse Carter-regering.

De tabel met uitsterf-projecties

Laten we nu eens in het Global 2000-rapport kijken, de uitsterf-projecties van Lovejoy. Die zijn gedaan op basis van SAR-projecties. Maar… hoe weet Thomas Lovejoy nu dat wel 20 procent van alle soorten voor het jaar 2000 zou uitsterven, honderdduizenden soorten? Terwijl tussen 1980 en 2000 hooguit enkele tientallen soorten (bij de wetenschap bekend) uitstierven…

  • a.hij verkleint het oppervlak aan regenwoud in Latijns Amerika op basis van prognoses
  • b. Hij veronderstelt een lineaire SAR tussen oppervlak en aanwezige soorten (curve C) en variaties daarop (A/E)
  • c. door aan te nemen dat de helft van alle soorten op aarde in dat regenwoud leeft
  • d. Hij veronderstelt dat na kap van alle regenwoud nog 5 procent van de soorten overblijft in het gekapte gebied

De natte vinger van Thomas Lovejoy

Dus Lovejoy zuigt die getallen min of meer uit zijn duim, de nattevinger-methode. Al heet zoiets dan beleefd ‘expert opinion’. Academisch duimzuigen.

EO Wilson op blz 13

1000 maal de achtergrondsnelheid
Niet veel beter helpt EO Wilson zich er vanaf in het conferentie-verslag dat in 1988 werd gepubliceerd, de eerste maal dat ‘biodiversiteit’ in print verschijnt. Dat woord verschijnt dus slechts 4 jaar voor de gehele wereld al weet met de Aardetop in Rio in 1992:

  1. het gaat slecht met ‘biodiversiteit’,
  2. en we moeten een wereldregering instellen met Convention on Biological Diversity om dat tij te keren.

Op bladzijde 13 lees je de claim dat 1000-10.000 maal meer soorten uitsterven dan ‘normaal’. Die claim echoot door tot de ‘Millennium Ecosystem Assessment’ van de Verenigde Naties in 2004. Maar de originele bron is dus EO Wilson in 1986.

Hij gebruikt hier opnieuw een Species Area Relationship (SAR) met Z-waarde 0,25. Dan roeit 90 procent kap van alle regenwoud de helft van alle soorten uit. Net als Thomas Lovejoy neemt hij aan, dat de helft van alle soorten op aarde in het regenwoud leeft.  Laten we hem volledig citeren:

Let us suppose, for example, that half the species in tropical forests are very localized in distribution, so that the rate at which species are being eliminated immediately is approximately this fraction multiplied by the rate-percentage of the forests being destroyed.

Let us conservatively estimate that 5 million species of organisms are confined to the tropical rain forests, a figure well justified by the recent upward adjustment of insect diversity alone. The annual rate of reduction would then be 0.5×5× 10(6)×0.007 species, or 17,500 species per year.

Het beste kunnen ecologen gewoon weer dieren tekenen zoals Ernst Haeckel dat deed…

  • Biologie op een bierviltje heet dat.

Van de 10 miljoen soorten die op aarde leven, leven 5 miljoen in het regenwoud. Aldus EO Wilson zijn ‘expert opinion’. En daarvan zijn- alweer volgens ‘expert opinion’ dus 2,5 miljoen soorten gebonden aan die specifieke plaats.

Die vermenigvuldigt hij met een factor 0,007. Dat is afgeleid van de schatting, dat 7 procent (0,07 van 1) van het aardoppervlak uit regenwoud bestaat. Daarbij zal dat regenwoud dus door kap met een factor 10 verkleinen: de 90 procent die leidt tot een halvering van soorten in de SAR met Z = 0,25.

Given 10 million species in the fauna and flora of all the habitats of the world, the loss is roughly one out of every thousand species per year. How does this compare with extinction rates prior to human intervention?

The estimates of extinction rates in Paleozoic and Mesozoic marine faunas cited earlier (Raup, 1981, 1984; Raup and Sepkoski, 1984; Van Valen, 1973) ranged according to taxonomic group (e.g., echinoderms versus cephalopods) from one out of every million to one out of every 10 million per year.

Let us assume that on the order of 10 million species existed then, in view of the evidence that diversity has not fluctuated through most of the Phanerozoic time by a factor of more than three (Raup and Sepkoski, 1984).

It follows that both the per-species rate and absolute loss in number of species due to the current destruction of rain forests (setting aside for the moment extinction due to the disturbance of other habitats) would be about 1,000 to 10,000 times that before human intervention.

…moet je zien hoe gedetailleerd, zo leer je weer echt concentreren en waarnemen….

Conclusie; ‘biodiversiteits’-verlies een moeras van nattevingerwerk
Neem je alleen het regenwoud, dan verdwijnen 17500 per 5 miljoen per jaar, dus 1 op de 287 per jaar.  En 1 op de 584 per jaar bij een sample van 10 miljoen soorten op de hele wereld. Hoe Wilson dat getal tot 1 op 1000 verkleint begrijp ik niet. Volgens mij rondt hij 584 gewoon naar boven af.

Wat je wel ziet: de grootte van het sample dat Wilson KIEST bepaalt de mate van uitsterven, en dus het aantal ‘soorten’ dat in theorie verdwijnt.

Als je aanneemt dat er minder soorten leven in dat regenwoud, dan sterven er ook minder uit.

En daarnaast: als je aanneemt dat in het vroege verleden (zoals bekend uit het fossielen-archief) 1 op de miljoen uitstierf per jaar, dan is huidig uitsterven 1000 maal erger. Neem je aan dat er maar 1 op de 10 miljoen per jaar uitstierf in geologische tijden. Dan is het vandaag de dag wel 10 duizend maal erger.

…je kunt er uren naar kijken, bijna een religieuze bezigheid om te zien hoe wonderlijk de natuur in elkaar zit

Dus 1000-10.000 maal erger dan vroeger, dat reflecteert dus niet de ernst van het NU. Maar de onzekerheid van vroeger uitsterven, die je uit een zeer gebrekkig fossielen-archief en nattevingerwerk afleidt. Hoe MINDER erg het vroeger was, hoe erger het nu lijkt.

Terwijl er nog steeds anno nu volgens de wetenschap ongeveer 900 soorten uitstierven sinds het jaar 1500, ongeveer 2 per jaar. Op een sample van bij de wetenschap bekende soorten van 1,8 miljoen is dat 1 per miljoen soorten per jaar. Evenveel als ‘vroeger’, en 10 maal ‘erger’ dan vroeger, wanneer het vroeger minder erg was.

Misschien kunnen ecologen dus toch maar weer beter mooie dieren gaan tekenen, dan doen alsof ze echte harde natuurwetenschapper zijn. Zulke berekeningen, helpen op zijn best om aan ‘landoppervlakte’ een biologisch randje te geven. Een extra argument voor bewoners dat ze van hun land af moeten blijven.

Weinig ecologen geloven er nog in

Ik lieg, hij loog, wij ecologen
De SAR, het belangrijkste parade-paardje van ecologen dat ze moest verheffen tot harde wetenschap, dat werd zo vooral een verkoop-instrument van de agenda van de Conservation Biology: het claimen van grond dat (nog) niet in je eigendom is.

Om hun eigen noodzaak academischer in te kleden. Inmiddels geloven weinig ecologen nog dat die Eilandtheorie wel klopte. Maar zoals Ilka Hanski beschreef in ‘The Theory of Island Biogeography’ beleefd opmerkte ‘it’s legacy lives on’..

Het heeft ecologen toch maar mooi weer een halve eeuw van de straat gehouden. In de tussentijd vonden ze ‘biodiversiteit’ uit, een al even vaag begrip dat dus vooral betekent: wij willen jullie land in bezit, want anders roepen wij dat de hele aarde uitsterft. Als ik mijn ruwe interpretatie van Species Area Relationship tot de politieke consequentie samenvat.

EO Wilson wil namelijk de helft van de aarde onder een ecodictatuur brengen, zo is de wens van zijn Half Earth Project.

Maar kijk dan eens naar de lage wetenschappelijke standaarden die Wilson hanteert om ons zijn agenda te verkopen. Via een SAR-formule die ontstond, juist in zijn streven om Ecologie een harder beta-piemeltje te geven, meer sociaal aanzien in Academieland. En als je ze niet gelooft heet je ‘science denier’, gaan ze stampvoeten.

Terwijl, het is de plicht van iedere wetenschapsjournalist om pseudo-wetenschap bij haar naam te noemen: Ik lieg, hij loog, wij ecologen.

En kijk dan nog eens naar die prachtige tekeningen van Ernst Haeckel. Als je dat kan, daarvoor moet je zo nauwkeurig kunnen concentreren en waarnemen. Dan is ook zo’n minderwaardigheids-complex nergens voor nodig. Dan vergeven wij Haeckel dat hij als Proto-Nazi erelid werd van de Thuler Gesellschaft (1919), het occult Germaanse genootschap dat Adolf Hitler in het zadel hielp.

Wat kon ie mooi tekenen, die Haeckel

3 Replies to “‘Biodiversiteit’ ontstond door minderwaardigheids-complex ecologen”

  1. Ben net begonnen, artikel uit 1977. Was toen 32 jaar, opgroeiende kinderen. Ook toen al werden er door zogenaamde geleerden waanzinnige uitspraken gedaan. Er is tot op heden niet veel veranderd. Tot op de dag van vandaag worden deze zogenaamde wetenschappers niet of nooit op hun merites beoordeeld. Fake news heet dat tegenwoordig. 80% van de bevolking neemt alles voor zoete koek, die hebben nergens last van. De weldenkenden onder ons lopen al decennia met een verwarde geest rond. Hoe moet het verder, wat gebeurt er met de toekomst van mijn kinderen…. .
    Voor mij staat in ieder geval vast, het milieu is stervende. Nee, zegt de optimist, we worden toch steeds ouder. Kijk om u heen, weet iemand nog hoe een tomaat smaakt, of een perzik, groent zonder zout ? Wanneer je dit aan iemand vraagt kijken ze je met ogen aan die vragen : bent u nog wel van deze aarde. En waar het vandaan komt interesseert ze geen reet. Kwaliteit, voor zover nog verkrijgbaar, heeft immers zijn prijs. Op de vraag of ik nu het verschil proef tussen bio vlees en vlees van (in mijn ogen mishandelde beesten) geef ik al helemaal geen antwoord meer op.
    De mens is afgestompt, dom geworden of gehouden.
    Ga nu verder met het artikel, moest het gewoon even kwijt. Drink vanavond vooral uw wijntje van, wat zal het zijn, 3-4-5 of 6 euro. Voor de goede orde, smakelijk zal het wel zijn. Maar het is geen wijn, kan niet voor dat geld. Maar geniet er van.

Laat een reactie achter aan Scheffer Antwoord annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *